Columns en Archief

Zelfspraak

19 februari 2019
Door: Jeffrey Wijnberg

Woorden als ‘contact’, ‘gesprek’ of ‘conflict’ roepen, als vanzelf, een beeld op van twee verschillende individuen. Het gaat dan tussen de één en de ander, alsof dat de meest voor de hand liggende manier is van verbinding. Maar dat is een verkeerde voorstelling van zaken.

Want de mens heeft nog het meest contact met zichzelf; en voert eindeloze gesprekken in de veilige ruimte van zijn eigen hoofd. Deze zelfspraak kan een vriendelijk karakter hebben of een sfeer van onvrede; en kan zelfs ruzieachtig van toon zijn. Goed beschouwd bestaat de mens, op zijn minst, dan uit twee verschillende figuren (ego-geweten) die soms in harmonie met elkaar leven, maar meer dan eens dramatisch met elkaar overhoop liggen. Het psychologisch jargon voor dit fenomeen heet: innerlijk conflict. Hoe vreemd het ook klinkt: het innerlijk conflict is enorm populair; en wordt vaker dan niet verkozen boven een conflict met de buitenwacht. Mensen maken ruzie met zichzelf dat het een lieve lust is. En wat blijkt: vrouwen doen dit fanatieker dan de meeste mannen. Dit heeft alles te maken met het ervaren van onvrede: vrouwen zien veel gemakkelijker wat er allemaal mankeert; en zijn net zo kritisch op wat voorbijkomt als op zichzelf. Eindeloze innerlijke dialogen worden gevoerd in een poging om ‘het goede’ te vinden, terwijl mannen er gemakkelijker de brui aan geven. Zij zeggen eerder tegen zichzelf (‘er zal wel van alles niet deugen aan mezelf, maar daar kan ik echt niet mee zitten’). Zo bekeken zijn mannen dan ook uitgesproken vriendjes met zichzelf, terwijl vrouwen zichzelf de bloed onder de nagels vandaan kunnen halen. Als het gaat om pestgedrag: de vrouw is dader en slachtoffer tegelijkertijd. Een man is ook veel vergevingsgezinder, tenminste wel naar zichzelf. Ook al maakte hij de meest trieste blunders, dan nog kan hij tegen zichzelf zeggen: ‘ach joh, nieuwe ronde nieuwe kansen’. Daar komt nog bij dat het (emotionele) geheugen van de vrouw beter is dan die van de man, waardoor zij evidente missers nog jaren later zichzelf kan nadragen (‘wat ben ik een trut dat ik zo de mist ben ingegaan’). Vraag een (willekeurige) man op een willekeurig moment waar hij aan denkt, dan is de kans groot dat hij zegt: ‘helemaal niets’; iets waar de vrouw zich helemaal niets bij kan voorstellen. Zij denkt altijd wel iets; en meestal iets van zichzelf waar de honden geen brood van lusten. Geen wonder dat vrouwelijke zelfspraak altijd bol staat van verwijten; een gegeven waar zelfs de briljantste psycholoog niet tegenop kan.

Vrouwen kijken ook vaker in de spiegel dan mannen; vooral om te weten hoe zij bij zichzelf overkomen. Mannen hoeven dat niet omdat zij al een stabiel gevoel van tevredenheid hebben; vooral over zichzelf. Het is een vorm van onvoorwaardelijke liefde die een duidelijke stem heeft: ‘ik zal mezelf nooit laten vallen’.

 


Lees ook:

Bekijk alle columns

Reacties

Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.

RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties

Plaats uw reactie